Interview met Marco Drijver

 

bron: Texelse Courant vrijdag 11 juni 2010

Keeper, coach, scheidsrechter, grensrechter, bouwer aan de kantine. Je kunt het zo gek niet bedenken of hij is het SVO geweest. ‘Marco Drijver? Die pist groen-wit’, karakteriseert clubgenoot Aart Zegers de man die al veertig jaar aan de morgen jubilerende vereniging verbonden is.

‘Ik kan geen nee zeggen. Bovendien, als iedereen nee zegt, gebeurt er niks’, antwoordt Drijver op de vraag waarom hij zo actief is bij SVO. Dat blijkt echter maar de halve waarheid. ‘Waarom? Waarom? Ik vind het leuk, mag het graag doen. Het klinkt misschien wat afgezaagd, maar ik heb groen-wit bloed. Ik ben vroeger wel door SV Texel gevraagd om in Den Burg te komen keepen. Met het eerste zaterdagelftal van Oosterend had ik twee keer tegen Texel 1 gespeeld en twee keer gewonnen. Wat moet ik bij jullie, heb ik gevraagd. We winnen altijd.’ Hij lacht. ‘Je kent mekaar allemaal bij Oosterend, het is er gemoedelijk. Bij Texel heb ik wel eens het idee dat alles om het eerste elftal draait. Bij Oosterend is elk elftal belangrijk. Niemand is er méér dan een ander en je hebt er geen arrogant gedrag. Dat bevalt me hier.’

Drijver, nu 48, begon op 8-jarige leeftijd met voetballen, nadat hij op zijn verjaardag zijn tenue had gekregen. Aanvankelijk was hij veldspeler, maar dat veranderde al snel. ‘Ik was altijd reserve. Dat geloop is niks voor mij. Toen ik dacht: weet je wat, ik word keeper, dan komt de bal vanzelf naar me toe. Ja, ik was nogal groot en dikkig. Dan is één en één twee.’

Van zijn jaren als jeugdvoetballer is hem niet zoveel bijgebleven. ‘Gerrit Terwindt is een heel aantal jaren onze trainer geweest. En in de C-junioren zijn we nog een keer kampioen geworden. Volgens mij speelden we de laatste wedstrijd bij Oudesluis. Ik geloof niet eens dat we ‘m gewonnen hebben, maar was 1-1 genoeg.’ Al vrij jong ging hij over naar de senioren. ‘Ik was een jaar of 18, 19, dat ik in het eerste belandde. Rob Haak was keeper en had zijn enkel gebroken. Ik mocht ‘m vervangen. Daarna heb ik ook nog wel eens in het tweede gekeept, maar na een tijdje kwam ik vast in het eerste. Het eerste zaterdagelftal was dat. Daar heb ik in gespeeld totdat het werd opgeheven.’

Het was een goed team, herinnert Drijver zich. ‘Martin Land was trainer en we speelden met Aart-Johan van den Brink, Jan Oosterhof, de Brouwertjes – Rien, Joost, Gep -, Arco Eelman. We zijn nog gepromoveerd naar de eerste klasse afdeling. Dat was echt wel een aardig niveau, hoor. We speelden nog wel tegen oud-profs. John Rep voetbalde bij ZFC, Jos Jonker, eerder van AZ, bij Vitesse’22. Maar op een gegeven moment gingen er verschillende jongens naar SV Texel en toen was het snel over.’

De zaterdagteams (SVO had er enige tijd zelfs drie) werden niet alleen gevormd door spelers die om godsdienstige redenen niet op zondag wilden voetballen. ‘Net als nu vinden sommige jongens het wel lekker om op zaterdag te voetballen. Kunnen ze ’s avonds op stap. Al maakt het de meesten tegenwoordig niet veel meer uit. Als ik moest voetballen, zat ik de avond ervoor echt niet tot drie of vier uur in de kroeg. Geen denken aan. Als je het toch deed, kreeg je het te horen van de oudere spelers: Jan Oosterhof, Piet Grisnigt, Dirk Trap. Die waren fanatiek, hoor. En terecht. Je prestaties gaan er toch onder lijden als je niet fit bent. In die tijd hadden we zo’n goed team dat we al de pest in hadden als we gelijkspeelden.’

De grote en sterke Drijver, in het dagelijks leven kottervisser, heeft altijd bekend gestaan als een betrouwbare doelman. ‘In één-tegen-één situaties ben ik moeilijk te passeren. Als ik uit mijn doel kom, heb ik mijn postuur natuurlijk ook mee. Ook bij hoge ballen voor het doel ging het wel aardig. Dat wordt nu wat minder. Zal wel met de leeftijd te maken hebben. En ik heb ook een paar kilo’s meer mee te sjouwen. Dat telt natuurlijk ook mee.’

Drijver is geen natuurtalent, vindt hij zelf. Zijn kracht haalde hij vooral ‘de wil om te winnen’. ‘Je moet gemotiveerd zijn, jezelf een beetje oppeppen. Als je dat eens niet doet, gaan de gekste ballen erin. Aan de andere kant heb ik ook wel wedstrijden gespeeld waarin ik niet te passeren was.’ Hij vertelt over een wedstrijd dat hij voor een team met vissers tegen een team van de AID speelde. ‘Dat was bij hoofdklasser Katwijk. Een prachtig veld, een goed gevulde tribune. Prachtig man, dan wil je wel. Er ging geen bal in. Dat heeft natuurlijk ook te maken met je medespelers. Als zij lopen te lanterfanten, vind ik het ook niks. Maar als je er met z’n allen hard voor werkt, kan het zomaar gaan lopen. Dat zijn de ongrijpbare dingen in de sport, zeggen ze wel eens.’

Drijver zit vol prachtige anekdotes, weten ook zijn clubgenoten, die ze soms woordelijk kunnen navertellen. Tijdens zijn afscheidinterview imiteerde Sil van Dijk de keeper met een verhaal dat hij nu ook zelf vertelt. Over een wedstrijd bij ALC in Abbekerk, die nota bene werd geleid door scheidsrechter Drijver en waarbij de regen met bakken uit de hemel bleef vallen. ‘Als ik op de bal dook, vloog het water als een boeggolf voor me uit. Toen we van het veld liepen zei Honnie, de vrouw van Bep Vonk, dat ze alleen mij aan mijn witte kop herkende. De anderen waren allemaal zwart. Toen we na de wedstrijd in de kantine zaten en naar buiten keken, zwommen de eenden op het veld.’

Legendarisch is ook het verhaal van een uitwedstrijd bij Jisp waarbij de Oosterenders er bij de boot achterkwamen dat de shirts nog bij Ad Guldemond thuis lagen. Nadat ze met één van de twee busjes waren omgekeerd om ze op te halen, werd het zo druk bij de boot dat er maar één busje over kon. Alle dertien spelers stapten in de betreffende bus, met de bedoeling in Den Helder naar Watervogels te rijden, waar het tweede elftal speelde. ‘Maar de mannen zaten in de kantine bier te drinken en wilden hun busje niet afstaan. Toen zijn we maar doorgereden, met de twee jeugdspelers opgevouwen in de kattebak. Toen we in Jisp de achterklep opendeden, vielen ze er gewoon uit. We wonnen ook nog en zijn op de terugweg langs McDonalds gereden. Ik hoor dat vrouwtje van de bestelling nog, toen we dertien Big Macs bestelden: Dertien!!

Na het verdwijnen van het zaterdagteam werd Drijver keeper van het eerste zondagelftal. Met plezier, al stelde hij zijn ambities noodgedwongen een beetje bij. ‘We verloren meer dan dat we wonnen. Op een gegeven moment ga je dan je grenzen verleggen.’ Lachend: ‘De verkeerde kant op, dat wel.’ Negen jaar geleden deed hij een stapje terug en werd hij lid van het recreatieteam. Maar nog vele malen stond hij sindsdien op doel bij het eerste elftal. ‘Dit jaar zelfs nog een paar keer. Ja, ik zei al: als ze me vragen, kan ik geen nee zeggen. En als ze me vragen, dan hebben ze me nodig. Maar ik doe het liever niet meer. Er gaan soms ballen in die ik vroeger zou hebben tegengehouden en dat vind ik vervelend. Voor mezelf, maar ook voor de anderen. Aan de andere kant, zolang ze me vragen, zal het wel meevallen. En het houdt je wel jong. Een paar weken geleden ben ik nog mee geweest voor de uitwedstrijd tegen Portugal Amsterdam. Voetballen op kunstgras was voor mij nieuw. En onderweg de hele tijd Slam FM op de radio. Dan staat je kop bij de boot wel op een pennetje. Dat is niet onze muziek. Maar ik vond het wel leuk. Ik kan ook genieten van de gesprekken, de kleedkamerhumor. Als je stopt, ga je dat toch missen. Zolang het lichaam het toelaat, blijf ik voetballen. Gelukkig ben ik nooit geblesseerd.’

Ook buiten het veld is zijn rol nog lang niet uitgespeeld. Op allerlei mogelijke manieren heeft hij zich de afgelopen tientallen jaren verdienstelijk gemaakt. Wordt een grensrechter of een scheidsrechter gezocht, moet er vis worden schoongemaakt voor de rommelmarkt of moet er een kantine worden gebouwd, zelden of nooit wordt vruchteloos een beroep op hem gedaan. Op het moment beraadt hij zich op het verzoek van trainer Jan Bloem om hem te assisteren bij het eerste elftal. ‘Ik ben gescheiden, dus in het weekend moet ik mijn huishouden doen. Dan is het handiger dat ik af en toe bijspring als er in Oosterend een wedstrijdje moet worden gefloten. Hoef ik niet de hele dag van huis te zijn. Maar het lijkt me wel leuk, dus ik denk er nog over na.’

Alleen toen ze hem onlangs vroegen voorzitter te worden, bedankte hij vriendelijk voor de eer. ‘Je moet niet een voorzitter hebben die er alleen in het weekend is. Hij vertegenwoordigt de vereniging en moet ook eens naar een begrafenis of een bruiloft als het zo uitkomt. Ik zit de hele week op zee. Dan kunnen ze beter iemand anders vragen.’

Bijna tien jaar lang was hij coach bij de jeugd, van het team van zijn nu 18-jarige zoon Stefan. Een leuke, maar ook tijdrovende en verantwoordelijke bezigheid. Drijver vindt dat hij een voorbeeldfunctie heeft en zal dan ook niet, zoals sommigen van zijn collega’s, luidruchtig de scheidsrechter ter verantwoording roepen. ‘Doe je dat wel, dan hebben de jongens op het lest ook overal commentaar op. Ik heb er ook een hekel aan dat spelers na een overtreding zomaar weglopen. Een overtreding kan voorkomen, dat hoort bij voetbal. Maar help je tegenstander even overeind, geef hem een hand en maak je excuses. Je hebt ze nodig. Zonder tegenstanders kun je niet voetballen.’

Dat sommige voetballers wel erg gemakkelijk afbericht doen of zelfs zomaar wegblijven, vindt hij wel eens jammer. ‘De mentaliteit verandert wel. Ik was vroeger zo fanatiek dat ik altijd wilde voetballen. Het is wel gebeurd dat we op zaterdag de haven van IJmuiden binnenliepen en ik meteen naar Texel belde om te zeggen dat ik kon meedoen. Aart-Johan van den Brink voer toen ook bij ons. Onder stoom zaten we al te kijken of we het zouden halen. Kun je nagaan, de communicatie stelde in die tijd nog niet zoveel voor. Je had geen sateliettelefoons. Het was binnenlopen en ballen.’

Joop Rommets