Interview met Lia Duinker en Annelies Schoo

 

bron: Texelse Courant, Joop Rommets

‘Een ouwe club in een klein dorp, daar moet je zuinig op zijn. Daar heeft je opa nog gevoetbald. Je oma niet, want voor haar was er alleen handbal, maar je moeder misschien weer wel.’ Trots, tevreden en met een gevoel van betrokkenheid storten bestuursleden Lia Duinker en Annelies Schoo zich zaterdag in de festiviteiten ter ere van de 75ste verjaardag van hun vereniging, SV Oosterend.

Dertig jaar geleden, in het seizoen 1979/80, werd het eerste zondagselftal van SVO voor het laatst kampioen. Achterste rij, vlnr: Jan Raven, Joop Koning, Bep Vonk, Gerard Legierse, Frits Bakker, Jaap Slikker, Johan de Waard, Ewald Witte, Jan de Vries, Peter den Brok en Sieme Keijzer. Voorste rij: Ruud Daalder, Piet Beuving, Gerrit Terwindt, Simon Brand, Roel Veldman, Biem Trap en Piet Koning. (Foto archief SVO)

‘De vereniging is een soort bindmiddel. Je hoort erbij en er wordt op je gerekend’, zegt Lia Duinker. Ze is sinds 1999 lid van het bestuur van SVO en heeft daarmee de meeste dienstjaren. Minder lang bestuurder, maar net zo betrokken bij de vereniging, is Annelies Schoo, die een kwart eeuw geleden al deel uit maakte van het damesteam van de Oosterenders. Beiden zijn zich zeer bewust van de rol die hun vereniging in het Oosterender dorpsleven speelt, ook voor de jongste generatie. ‘Kinderen leren er dat je een team met z’n allen vormt. Samen voetballen en trainen is gezond, sportief en ook nog gezellig. En het wordt beoefend in een vaste periode. ’s Zomers hoef je niet en dat is ook wel lekker.’

Tegenwoordig een gewoon verschijnsel, maar vijfentwintig jaar geleden waren er nog niet veel vrouwen die op voetbal zaten. Het team van SVO werd in het seizoen 1985/86 kampioen. Achterste rij, vlnr: Marjan Brouwer, coach Jitze Beintema, Mirjam Witte, Colinda van der Vis, Natasja van der Vis, Mirjam Raven, Sandra van der Vis, Mirjam Erne en begeleider Inze Daalder. Onderste rij: Lize Vlaming, Diane van Tongelen, Cocky Koning, Annelies Schoo, Bianca Kaercher, Jolanda van der Vis, Yvonne van der Vis en Anita Eelman. (Foto archief SVO)

SVO is een bloeiende vereniging, met voetballers in bijna alle leeftijdscategorieën. De jongsten, van 5 en 6 jaar, spelen in de mini’s. Daarnaast zijn er F-, E- en D-pupillen, B-junioren, twee (zaterdag)teams met senioren, een recreatieteam en een grote selectie meiden en jonge vrouwen. Het D- en het B-team zijn nieuw. ‘Tot vorig jaar hadden we nog een gat tussen het E-team (van 9- en 10-jarigen, red.) en het A-team (17- en 18-jarigen). Er was een hele generatie jongens voor wie er geen team was. Een paar keer hebben we een D- en een C-team ingeschreven, maar dat moesten we vlak voor de competitie weer terugtrekken wegens een gebrek aan spelers. Nu zijn de E’tjes oud genoeg om D’tjes te worden.’

Erg blij zijn ze ook met het formeren van een B-team, bestaand uit jongens van wie de meesten al jaren niet meer hadden gevoetbald. ‘Tom Witte geeft sinds januari trainingen aan niet-leden. Hij begon met een klein groepje, maar al snel trok het aan en nu zijn het al er bijna twintig. Tom heeft duidelijk een klik met die jongens. Het is hartstikke leuk dat hij dit doet. Hij is zelf amper gestopt, blijft op deze manier toch betrokken en betrekt er op zijn beurt een groep jongens bij die zich anders maar loopt te vervelen. Ook dat is een belangrijke functie van de club. Je houdt een hoop jeugd enigszins van de straat.’

Niet altijd is het SVO zo voor de wind gegaan. ‘Twaalf jaar geleden was het crisis en werd serieus gesproken over een fusie met De Koog en ZDH. Er waren amper genoeg spelers voor één seniorenteam. Twee jaar later hadden we plotseling drie seniorenteams. Het is kennelijk toch een soort golfbeweging. We hebben dat ook met meiden en dames gehad. In het seizoen 1985/86 werd ons damesteam nog kampioen. Daarna heeft het nog één of twee jaar bestaan en toen was het voor lange tijd af.’ Een jaar of tien geleden doken er plotseling weer meisjes op in de pupillenteams. Duinker lachend: ‘Mijn dochter Annelies was één de eersten die met de jongens meevoetbalden. Daarna zag je steeds meer van die blonde paardenstaarten, totdat er zo veel waren, dat de laatste jongens op de vlucht sloegen en het een meidenteam werd.’

Het afgelopen seizoen was het vrouwelijk geslacht op twee fronten actief bij SVO: met een B-juniorenteam en met een damesteam. Door studie, werk en andere verplichtingen dreigde een tekort voor het juniorenteam, reden om beide teams samen te voegen. Dat lukt probleemloos, verwachten Schoo en Duinker. ‘Ook de jongste spelers zijn er fysiek aan toe. Een paar jaar geleden gingen ze van de D’s naar de B’s en sloegen ze een hele leeftijdscategorie over. Noodgedwongen, maar daardoor zijn ze het gewend om tegen grote meiden te spelen. En ze vinden het ook niet erg om eens te verliezen, want in het begin wonnen ze bijna nooit. Komend jaar hebben we zo’n twintig speelsters, allemaal uit Oosterend en omgeving. Daar zitten ook meiden bij die lang niet elke week kunnen, maar samen vormen ze een mooie, ruime selectie.’

Bij de senioren moest één team halverwege het vorige seizoen worden teruggetrokken, waardoor SVO komend jaar niet meer meedoet aan de KNVB-competitie op zondag. Jammer, maar voorlopig geen reden voor grote zorgen, al blijft het elk jaar weer spannend hoeveel spelers er in mei overblijven voor het nieuwe seizoen. Gelukkig heeft coach Jan Bloem voor volgend jaar weer een volwaardige selectie eerste-elftalspelers die op de zaterdag gaan strijden om het kampioenschap. In het zojuist afgesloten seizoen plaatste het team zich voor de nacompetitie, waarin promotie op een haar na werd gemist.

Financieel heeft SV Oosterend het goed voor elkaar. Dat is voor een belangrijk deel te danken aan lokale sponsors en de telecombedrijven, die jaarlijks een flink bedrag betalen om zendapparatuur in de lichtmasten op het terrein te mogen plaatsen. Het geld is dankbaar gebruikt om de nieuwe kantine te kunnen bekostigen. De vereniging draait echter vooral op het grote vrijwilligerskorps, dat ervoor zorgt dat alle voorkomende werkzaamheden worden gedaan, variërend van het bemannen van de kantine tot het trekken van de lijnen op het veld en het bakken van vis voor de zomerse rommelmarkten. Volgens Duinker is de crisis van twaalf jaar geleden een soort keerpunt geweest in de geschiedenis van de vereniging. ‘Bij die bewuste vergadering zei een moeder (ze imiteert met geaffecteerd stemgeluid):

ík ben geen lid van deze vereniging, mijn zoon is lid van deze vereniging.’ Boos: ‘Wat een onzin, natuurlijk moet iedereen een beetje meehelpen. Ik denk dat toen toch het besef is gekomen dat je het met elkaar moet zien te rooien, want een paar weken later stond een groepje de kleedkamers te schilderen.’

Wél constateren Schoo en Duinker dat het – net als bij andere verenigingen – steeds meer moeite kost vrijwilligers te strikken. ‘Vroeger had je van die ijzeren heinen die dagelijks voor de club in touw waren, maar als je nu iemand vraagt, krijg je als antwoord: hoeveel uur kost me dat? Mensen willen best iets doen, er zijn er die zich spontaan melden om te helpen bij het jubileumfeest, maar ze willen zich liever niet binden. Het is ook best moeilijk coaches te vinden. In die functie ben je elk weekend toch een dag kwijt. Je merkt zelfs dat ouders er tegenop zien bij toerbeurt te rijden als er een uitwedstrijd wordt gespeeld. Terwijl ze per jaar maar één of twee keer mee hoeven. Maar als ze eenmaal geweest zijn, vinden ze het toch wel  leuk. Het zijn net schoolreisjes, hartstikke leuk. En je betrekt de ouders meer bij de club.’

Het bestuur telt acht leden. Buiten secretaris Annelies Schoo en archivaris en PR-vrouw Lia Duinker zijn dat penningmeester Hans Zijm, jeugdsecretaris Arnold Wesselman, zaalvoetbalcoördinator Irma Jongedijk en ‘algemene’ leden Richard Kortekaas, Annie Brouwer en Ger Vlaming. Duinker: ‘We hebben al een tijd geen voorzitter. Maar het werk gebeurt evengoed wel. Ik durf zelfs te zeggen dat we het zó goed voor elkaar hebben, dat een eventuele nieuwe voorzitter alleen maar hoeft voor te zitten. Alles wordt al gedaan. Eerder hadden we Ewald Witte. Die deed heel veel zelf en dat was natuurlijk heel makkelijk voor de anderen, maar dat schrok misschien ook af. Maar geen kwaad woord over Ewald hoor, hij was een supervoorzitter. Dankzij dat soort mannen heeft de club zo lang kunnen bestaan.’

Joop Rommets