Interview Arie Kalis en Klaas van Leeuwen

 

bron: Texelse Courant

Bijna een halve eeuw geleden, op 24 juni 1951, werd het eerste voetbalelftal van SVO kampioen. Dankzij een schitterend schot van Arie Kalis in de allerlaatste seconde van de beslissingswedstrijd tegen Helder 4 veroverden de Oosterenders de titel in de 3de klasse H van de afdeling Noord-Holland van de KNVB. Een hoogtepunt in het bestaan van de vereniging die zaterdag 12 juni het 75-jarig jubileum viert.

Het kampioensteam van 1951. Voorste rij, vlnr.: Jn. Brouwer, Kl. Burger, A. Kalis, P. van der Slikke en B. Plaatsman. Midden: P. Timmer, C. Timmer en W.J. van der Slikke. Achter: J. van Leeuwen, G. Kuiper, S. Keijzer, P. Roozendaal en Kl. van Leeuwen. ‘Wij wensen dit kranige elftal ook in de nieuwe klasse vele overwinningen!’, schrijft de Texelse Courant in het begeleidende onderschrift bij de foto. (Foto archief Texelse Courant)

‘Zeg maar wanneer je langs wilt komen. Dan bel ik de andere jongens even’, antwoordt de maker van het beslissende doelpunt op het verzoek eens terug te blikken op die onvergetelijke wedstrijd van 49 jaar geleden. Kalis is bijna 88, maar voetballers blijven jongens, hoe oud ze ook worden. Een paar dagen later treffen we elkaar in zijn huiskamer aan de Mulderstraat, waar echtgenote Truus voor koffie en koek zorgt en bestuurslid Lia Duinker het clubarchief bij de hand heeft om zo nodig het geheugen wat op te frissen. Naast de heer des huizes zit de 77-jarige Klaas van Leeuwen, destijds de benjamin van het elftal. Boet van der Slikke (83) zou ook komen, maar moest op het laatste ogenblik afzeggen om zijn vrouw in het ziekenhuis bij te staan. Samen met de naar Canada geëmigreerde Joop van Leeuwen (80) zijn zij als enigen van het kampioensteam nog in leven. Wat minder mobiel dan destijds, logischerwijze. De één gebruikt een rollator, de ander een scootmobiel. Maar al zijn sommige details hen na bijna vijftig jaar enigszins ontgaan, de hoofdzaken staan in hun herinnering gegrift. ‘Ik ving de bal op, glipte tussen de twee verdedigers door en ging op doel af. Ik gaf een schot en hij zat. De keeper raakte ‘m niet eens meer’, herinnert Kalis zich de slotseconden van het spraakmakende duel.’ ‘We speelden richting het TEM-gebouw. Daar stond toen nog die toren’, vult Van Leeuwen aan. ‘Dat weet ik niet meer’, zegt Kalis. ‘Ik heb geen toren gezien.’

De wedstrijd was noodzakelijk omdat SVO en Helder elk met 31 punten uit 20 wedstrijden bovenaan waren geëindigd, met een voorsprong van vier punten op de nummer drie, SV De Cocksdorp. Het doelsaldo van de Oosterenders was een stuk beter dan dat van Helder (75-29 tegen 61-25), maar dat was niet van belang. Het treffen vond plaats op ‘neutraal’ terrein, het veld van SV Texel in Den Burg. Wie de wedstrijd wilde zien, moest 25 cent betalen. Kinderen werd 10 cent gevraagd. ‘Leden en donateurs hebben GEEN vrije toegang’, werd gewaarschuwd in een advertentie in de Texelse Courant waar ‘DE wedstrijd van het seizoen’ boven staat.

Volgens het wedstrijdverslag was ‘een vrij groot aantal bezoekers’ getuige, al wordt daar bij aangetekend dat de belangstelling bij gunstiger weer ‘ongetwijfeld nog groter’ zou zijn geweest. De eerste helft verliep niet best voor SVO, dat ‘vele aanvallen’ ondernam, maar nadat de backs te ver waren opgerukt Helder zag scoren. Na rust trad SVO echter ‘met een vaste wil en goede moed’ in het veld. Die houding werd beloond, want al snel kreeg de ploeg een penalty, die door Klaas Burger ‘met een keihard schot in het net werd gejaagd’. Even later maakte Bert Plaatsman na een fraaie aanval over links 2-1 en leek de zege binnen, maar door een misverstand in de achterhoede kon Helder toch weer op gelijke hoogte komen.

De verslaggever vervolgt met: ‘Velen dachten toen: dat wordt gelijk spel, want het einde van de strijd was niet ver meer. Maar Arie Kalis wist nog de allerlaatste kans op fraaie wijze te benutten en de keeper moest wederom vissen. Dat was ook een prachtig schot.’

De derde treffer viel zo laat, dat de scheidsrechter besloot niet meer af te laten trappen, waarna een luid gejuich losbarstte. De Helderse aanvoerder feliciteerde de Oosterenders met het kampioenschap, maar de gebruikelijke bloemenhulde ontbrak. ‘Wij kregen de indruk dat de Heldersen op een overwinning voor Helder 4 hadden gerekend’, meldt de verslaggever. Terug in Oosterend trakteerde Jan Dijt van het Wapen van Amsterdam spelers, bestuur, elftalcommissie en hun ‘dames’ op een diner. Voorzitter Roozendaal sprak gloedvolle woorden en op de aansluitende feestavond speelde mevrouw Timmer-Roeper jodelliedjes op haar accordeon, terwijl ook de heer P. van der Vis ‘feestelijke klanken’ aan zijn instrument ontlokte. ‘Tot slot was er een zeer geanimeerd bal.’

Arie Kalis stond in de spits, maar hoewel hij menig doelpunt heeft gemaakt, had hij geen vaste positie in de voorhoede. ‘Ik heb op alle plaatsen gespeeld. Op latere leeftijd werd ik back. Ik gaf nooit een doelpunt weg. Als een tegenstander er voorbij ging, dan tikte ik ‘m tegen zijn benen. Ik heb tot mijn veertigste gevoetbald. Toen wilde ik niet meer.’

De broers Van Leeuwen stonden in de kampioenswedstrijd reserve en dat kan Klaas nog steeds moeilijk verkroppen. ‘Er waren jongens die nooit meegingen als we aan de overkant moesten spelen. Dat verrekten ze gewoon en dan waren wij goed genoeg om mee te doen. Maar bij thuiswedstrijden moesten zíj en stonden wíj langs de kant.’ Toen ze wat ouder werden, groeide de waardering voor de Van Leeuwens. ‘Joop was goed, hoor. Dick Dapper, voorzitter van SV Texel, heeft heel wat keren geprobeerd hem over te halen in Den Burg te komen spelen. Maar Joop wilde niet.’

Dat sommige spelers geen zin hadden aan de overkant te voetballen, valt misschien niet goed te praten, maar is wel enigszins begrijpelijk. ‘Je was de hele zondag kwijt’, vertellen de matadoren van toen. ‘We speelden vooral tegen de lagere teams van de grote clubs, zoals Helder, HRC en BKC. De eerste teams waren veel te goed voor ons. Dat betekende dat je bij uitwedstrijden meestal vroeg moest voetballen, want alleen de eerste elftallen begonnen om twee uur, half drie. We gingen om half acht van huis, om de boot van acht uur vanuit Oudeschild te halen. Paulus Roozendaal was kippenboer. Die stond al om vijf uur op om zijn beesten eten te geven. En Rinus Mosk moest als boerenknecht eerst de koeien melken.’

Dat er op zondag werd gespeeld, zorgde er eveneens voor dat het team er niet altijd hetzelfde uitzag. ‘Boet, Piet en Wim van der Slikke waren gereformeerd en moesten eerst naar de kerk. Bij thuiswedstrijden deden ze meestal wel mee, maar leuk vonden hun vader en moeder het niet. Dan gooiden ze eerst hun tas uit het raam en gingen ze er sluup, sluup, sluup vandoor. Het gebeurde ook wel dat Sieme Keijzer ze achterop de motor naar de boot bracht.’

Aan de overkant werd heel wat beleefd. Van Leeuwen herinnert zich dat de Oosterenders voor een wedstrijd aan de overkant eerst de koeien van het veld moesten jagen. ‘Toen Rinus of Krokel de bal wilde koppen, liep de stront over zijn hoofd.’ Bij BKC hield een koppel schapen het gras kort en liep een sloot langs het veld. Iedere keer dat de bal daar in belandde, werd-ie weer wat zwaarder. Kalis: ‘Als je dan ook nog de veter op je kop kreeg, had je het helemaal slecht.’ Van Leeuwen: ‘De reserves moesten de bal uit de sloot halen. Sommige teams waren zo link dat ze de bal bij een voorsprong elke keer expres in de sloot schoten. Dan werd er amper meer gevoetbald.’

Er is in vijftig jaar sowieso een hoop veranderd. Bij verre uitwedstrijden werd soms een bus of een vrachtwagen gehuurd, maar om geld te besparen konden Breezand en Petten ook wel per fiets worden bereisd. In Den Helder ging alles met de benenwagen. En het kleine TESO-bootje Voorwaarts begon bij een beetje wind al zo te schommelen, dat hele elftallen zeeziek de overkant bereikten.

De clubs hadden nog niet de luxe accommodatie van tegenwoordig. Beiden herinneren zich nog dat SVO geen kantine had en dat alleen de kleedkamer van de gasten was voorzien van een paar koudwaterkranen. Zelf moesten de Oosterenders zich zien te redden met een paar ijzeren schalen met water. Dat was meestal zo koud, dat de spelers er liever voor kozen met zwarte knieën naar huis te gaan. ‘Geldschieters had je nog niet, maar de bond vroeg wel geld om mee te doen aan de competitie. Om wat voor de club te verdienen, gingen we soms met het hele team bieten op één zetten. Of je organiseerde een feest of een hardloopwedstrijd om de clubkas te spekken. We hebben nog wel eens een motorrace om het veld gehouden.’

Kalis: ‘Om de nieuwe kleedkamer te kunnen bouwen, verkochten we stenen. Dat had ik aan de overkant gezien. Twee stuks voor een kwartje. We gingen helemaal naar Den Hoorn en De Cocksdorp om ze aan de man te brengen.’ Kalis stond bekend als een handige regelaar. ‘Na de oorlog was er helemaal niets meer. Ik ben toen naar de KNVB in Den Haag gegaan en heb bonnen voor tien paar schoenen en één bal geregeld. Dat was erg veel voor zo’n kleine cluppie, veel meer dan waar we eigenlijk recht op hadden. Maar een kennis van me kende een mannetje op het bondsbureau. Daarna was het een kwestie van praten, praten, slijmen en slijmen.’

Ook dat SVO in witte shirts en groene broeken voetbalt, heeft de vereniging te danken aan Kalis. ‘Die heb ik in Alkmaar opgedaan, toen ik daar voor familiebezoek was. Toen ik met Truus over De Laat liep, zagen we een sportzaak en zijn we naar binnen gegaan om een tenue uit te zoeken. Zo is het groen-wit geworden. Groen-zwart was er al, daar speelde Texel in. Voor die tijd speelden we in zwarte shirts met een gele kraag.’

Jarenlang waren beiden vele uren voor de club in touw, of het nou om terreinonderhoud ging, training geven of als scheidsrechter een wedstrijd leiden. Toch is hun band met SVO in de loop der jaren flink verwaterd. Van Leeuwen is zelfs al in geen jaren meer op het veld aan de Vliestraat geweest. ‘Ik heb er gewoon niet zo’n zin meer in. Ik heb altijd een hoop voor de club gedaan. Begon om vijf uur ’s ochtends op de kaasfabriek en als ik daar om drie uur ’s middags klaar was, ging ik meteen naar het veld om de jeugd te trainen. Maar toen ik daar mee stopte, heb ik nog geen bloemetje gehad. Anderen deden veel minder en werden erelid.’

Ook Kalis heeft zich wel eens een beetje miskend gevoeld, maar hij heeft een andere reden om nog maar zelden naar het voetballen te gaan. ‘Ik kan er niet tegen als ze zo lopen klungelen. Of ik zie zo’n scheidsrechter die er niks van kan. Dat heb je, als je zo lang zelf actief bent geweest. Dan denk ik: je moet weg wezen, want je kunt je mond toch niet houden…’

Joop Rommets